Voormalige agrarische bedrijfswoningen moeten worden beoordeeld aan de hand van Europese luchtkwaliteitseisen

Door Minouch van de Ven

De Afdeling heeft op 4 februari 2015 een uitspraak gedaan over de vraag of in een bestemmingsplan aan een plattelandswoning, die wordt bewoond door een derde, een bestemming kan worden toegekend waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse van deze woning niet hoeft te worden beoordeeld. De gemeenteraad van Weert meende dat door het opnemen van de bestemming "specifieke vorm van wonen - voormalige agrarische bedrijfswoning" was veilig gesteld dat de woning van een derde niet bepalend was voor de luchtkwaliteit rond de inrichting van appellant (een varkenshouderij). Daartoe voerde de raad aan dat in artikel 1.1a Wabo is opgenomen dat een bedrijfswoning, die wordt bewoond door een derde, voor de toepassing van deze wet wordt beschouwd als een onderdeel van de inrichting. De Afdeling volgt dit standpunt niet. Zij wijst op artikel 5.19 Wm. Dit artikel vormt een implementatie van Richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (Richtlijn Luchtkwaliteit). Het kent een eigen beoordelingskader voor de luchtkwaliteit van diverse locaties. Dit moet op grond van artikel 5.16 Wm bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een inrichting worden toegepast. De uitzonderingen op dit beoordelingskader zijn niet van toepassing. Het perceel van de voormalige bedrijfswoning kan namelijk niet worden beschouwd als een terrein met een of meer inrichtingen waarop bepalingen van toepassing zijn betreffende de gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen. De Afdeling zoekt voor dit oordeel aansluiting bij de omschrijving van het begrip arbeidsplaats in artikel 5.6, tweede lid, Wm in combinatie met artikel 2 van de Richtlijn Luchtkwaliteit. Daarin wordt een arbeidsplaats gedefinieerd als elke plaats die bestemd is als locatie voor werkplekken in gebouwen van de onderneming en/of inrichting, met inbegrip van elke andere plaats op het terrein van de onderneming en/of inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft. Daarvan was in deze kwestie geen sprake. De raad heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat bij de eventuele verlening van een omgevingsvergunning voor de inrichting van appellante de luchtkwaliteit, voor zover die door deze vergunning wordt beïnvloed, niet beoordeeld zal hoeven te worden ter plaatse van de bedoelde voormalige bedrijfswoning.  De aan deze woning toegekende bestemming kan dus gevolgen hebben voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de inrichting. Het bestemmingsplan wordt om die reden vernietigd.


Duidelijkheidshalve zij benadrukt dat het in deze uitspraak gaat om de beoordeling van de luchtkwaliteit, zoals die in Hoofdstuk 5 Wm is beschreven, waaronder stikstofdioxide, zwaveldioxide en zwevende deeltjes. Deze uitspraak heeft grote gevolgen voor (agrarische) inrichtingen in het buitengebied in die zin dat de beoordeling van de luchtkwaliteit ter plaatse van voormalige agrarische bedrijfswoningen evenals ter zake van burgerwoningen in het buitengebied niet kan worden uitgesloten door daaraan in het bestemmingsplan een specifieke, met de voormalige status corresponderende bestemming te geven. Het lijkt erop dat in gevallen, waarin geen technische voorzieningen aan een inrichting kunnen worden getroffen om emissies terug te brengen, uitsluitend het wegbestemmen van de woonfunctie of de verplaatsing van de inrichting een oplossing biedt. Dat roept echter weer andere problemen op. De uitspraak is te vinden op: http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=82492