Hoge Raad bekrachtigt uitspraak Hof vordering Urgenda

Door Minouche van de Ven

Vlak voor de jaarwisseling, op 20 december 2019, heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof Den Haag van 9 oktober 2018 bevestigd. Hierin wordt de Staat kort gezegd opgedragen om de uitstoot van broeikasgassen vanaf Nederlandse bodem per eind 2020 met minstens 25% te verminderen ten opzichte van 1990. De uitspraak van het Hof is eerder in dit blog besproken.

De Staat had cassatieberoep tegen deze uitspraak ingesteld, met name omdat hij meende dat de rechter zich vanwege de scheiding der machten niet mag bemoeien met politieke afwegingen die nodig zijn voor de besluitvorming over reductie van broeikasgassen. De Hoge Raad verwerpt dit. Hij is van oordeel dat de Staat gehouden is om verdragsrechtelijke bepalingen na te leven, waaronder de artikelen 2 en 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). In deze artikelen zijn het recht op leven en het recht op eerbiediging van privé -, familie- en gezinsleven neergelegd. De rechter mag beoordelen of deze bepalingen worden gerespecteerd. De Grondwet staat daar niet aan in de weg. De Hoge Raad formuleert het als volgt: 

"In het Nederlandse staatsbestel komt de besluitvorming over de reductie van uitstoot van broeikasgassen toe aan de regering en het parlement. Zij hebben een grote mate van vrijheid om de daarvoor vereiste politieke afwegingen te maken. Het is aan de rechter om te beoordelen of de regering en het parlement bij hun besluitvorming zijn gebleven binnen de grenzen van het recht, waaraan zij zijn gebonden. Die grenzen vloeien onder meer voort uit het EVRM. De Grondwet schrijft voor dat de Nederlandse rechter de bepalingen van dit verdrag toepast. Dat moet de rechter doen overeenkomstig de uitleg daarvan door het EHRM. Deze opdracht aan de rechter tot het bieden van rechtsbescherming, ook tegen de overheid, is een wezenlijk onderdeel van de democratische rechtsstaat.

Het oordeel van het hof is met het voorgaande in overeenstemming. Het hof heeft immers geoordeeld dat het beleid van de Staat met betrekking tot de reductie van de uitstoot van broeikasgassen evident achterblijft bij de uit de art. 2 en 8 EVRM voortvloeiende verplichting om passende maatregelen te nemen voor de bescherming van de ingezetenen van Nederland tegen een gevaarlijke klimaatverandering. Verder heeft het hof het aan de Staat gegeven bevel beperkt tot de ondergrens (25%) van de internationaal onderschreven, minimaal noodzakelijke reductiedoelstelling voor 2020 van 25-40%.

Het gegeven bevel laat het aan de Staat over om te bepalen met welke concrete maatregelen hij zal voldoen aan dat bevel. Als daarvoor wetgevende maatregelen nodig zijn, is het aan de Staat om te beoordelen welke specifieke wetgeving wenselijk en noodzakelijk is."

De conclusie van de Hoge Raad is dan ook dat het rechterlijke bevel aan de Staat om de uitstoot van broeikasgassen per eind 2020 met minstens 25% terug te brengen ten opzichte van 1990 in stand moet blijven. Daarbij wordt benadrukt dat de Staat vrij is in de keuze van de te nemen maatregelen om dat doel in 2020 te bereiken. Dit wordt niet anders doordat voor veel van de mogelijk te nemen maatregelen wetgeving nodig zal zijn, zoals de Staat aanvoert. Het blijft immers aan de Staat om te bepalen welke maatregelen worden getroffen en welke wetgeving tot stand wordt gebracht om die reductie te bereiken.  Het arrest van de Hoge Raad is gepubliceerd op: ECLI:NL:HR:2019:2006 .

De logische vraag die uit dit arrest volgt is natuurlijk wat gaat de regering doen om dit rechterlijk bevel uit te voeren. De politiek biedt tot dusver weinig hoop op een versnelling. Het Planbureau voor de Leefomgeving publiceerde in december 2019 dat in de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen vooralsnog niet verder omlaag gaat dan 20 à 21 %. De Minister van Economische Zaken heeft naar aanleiding van dit bericht bij brief van 17 december 2019 de Tweede Kamer geïnformeerd dat het van groot belang is om aanvullende maatregelen te blijven nemen. Hij zal de Kamer daarover begin 2020 nader informeren in de veronderstelling dat het arrest van de Hoge Raad dan ook beschikbaar zal zijn. Nu dit arrest er is, wacht de Kamer op dit aanvullende maatregelenpakket. En dat zal fors moeten zijn, aannemende dat de regering netjes rechterlijke uitspraken uitvoert, zoals in een rechtstaat mag worden verwacht, zeker als het gaat om het recht op leven van huidige en toekomstige generaties. De publicatie van het Planbureau en de brief van de Minister van Economische Zaken kunnen hier worden gedownload.