Eisen beroepschrift onder de Crisis en herstelwet

Door Minouch van de Ven

In de uitspraak van 5 augustus 2015 (met het zaaknummer201409071/1/R6) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) zich onder meer uitgelaten over het standpunt van de Duitse gemeente Stadt Borkum. Deze gemeente was van oordeel dat de eisen in de artikelen 1.6 en 1.6a Chw, dat na ommekomst van de beroepstermijn op straffe van niet-ontvankelijkheid geen beroepsgronden meer mogen worden aangedragen, zich niet verdragen met het volkenrechtelijke gewoonterecht. Het Nederlands recht mocht op grond van dit gewoonterecht volgens deze gemeente geen beperkingen aanbrengen in rechtsbeschermingsmogelijkheden. De vermeende strijdigheid met deze bepaling schuilde hierin dat een tijdig ingediend beroepschrift dat geen gronden bevat (een zogeheten pro forma beroep), anders dan normaal gesproken op grond van artikel 6:6 Awb het geval is, direct niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Dit was een vrij principieel standpunt, aangezien de gemeente Stadt Borkum haar beroep tijdig en volledig onderbouwd had ingediend. De Afdeling heeft zich daarom niet laten verleiden tot een uitvoerige reactie, laat staan een volkenrechtelijke verhandeling. Zij overweegt dat artikel 1.6, tweede lid, en artikel 1.6a van de Chw het appellanten niet onmogelijk maakt om beroep in te stellen. Reeds hierom faalt het betoog. De gemeente Stadt Borkum is immers niet geschaad in haar rechtsbeschermingsmogelijkheden.

Deze pragmatische overweging is niet verassend, maar desalniettemin vermeldenswaardig in de reeks uitspraken die gaan over de procesrechtelijke beperkingen van de Chw. Eerder oordeelde de Afdeling dat het pro forma beroep ook niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden dat de toegang tot de rechter veilig stelt (vgl. ABRS 14 december 2011, 201106769/1/H1). Voor appellanten is het dus opletten dat zij hun beroep tijdig en volledig onderbouwd indienen, als de Chw van toepassing is. Het is overigens niet aan appellanten om uit te zoeken of de Chw geldt. Dit moet in de bekendmaking van een besluit worden vermeld, evenals de noodzaak om het beroepschrift te voorzien van beroepsgronden bij gebreke waarvan een niet-ontvankelijkheid volgt (art. 11 Besluit uitvoering Crisis en herstelwet). Is dit in de bekendmaking ten onrechte achterwege gelaten, dan wordt het verzuim om een volledig onderbouwd beroepschrift in te dienen verschoonbaar geoordeeld, tenzij een appellant anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd (ABRS d.d. 4 juni 2014, 201400716/1/A4).