Consultatie Wet collectieve warmtevoorziening

Door Minouche van de Ven

Vanaf 22 juni tot 3 augustus 2020 ligt het concept wetsvoorstel voor een nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening ter visie. Deze wet, die nog aan de Kamer moet worden voorgelegd, heeft volgens de toelichting in beginsel alleen gevolgen voor gemeenten en bedrijven actief in de warmtesector. ‘In beginsel’ is inderdaad een juiste toevoeging. Het wetsvoorstel kan namelijk ook gevolgen hebben voor gebouweigenaren.

Het wetsvoorstel gaat ervan uit dat gemeenten de bevoegdheid krijgen om een warmtekavel aan te wijzen.  De vaststelling van een warmtekavel moet door Gedeputeerde Staten worden gecontroleerd.

Binnen een warmtekavel kan een warmtebedrijf op doelmatige wijze een collectief warmtesysteem exploiteren met gebruikmaking van schaalvoordelen en onder voldoende waarborging van de leveringszekerheid. Een warmtebedrijf mag echter alleen warmte leveren binnen een kavel, als het daartoe is aangewezen door Burgemeester en Wethouders. De aanwijzing moet plaatsvinden op basis van een transparante en non-discriminatoire procedure. Door de aanwijzing krijgt het bedrijf het exclusieve recht tot transport en levering van warmte voor een periode van maximaal 30 tot 40 jaar. Om vast te stellen of een warmtebedrijf over voldoende expertise beschikt kan het de Autoriteit Consument en Markt vragen om dit te beoordelen en (zo nodig onder voorschriften) in een beschikking vast te leggen. Deze beschikking moet worden overgelegd als een warmtebedrijf in aanmerking wil komen voor een aanwijzing door Burgemeester en Wethouders binnen een vastgestelde warmtekavel.

Als er meerdere warmtebedrijven om een aanwijzing binnen eenzelfde warmtekavel verzoeken, dan voorziet het wetsvoorstel in een vergelijkende toets. Daarbij worden de kavelplannen van elk bedrijf vergeleken. Met name wordt bekeken van welk bedrijf het aannemelijk(er) is dat (a) door zijn duurzaamheidsstrategie de in het wetsvoorstel neergelegde CO2-reductiedoelen bereikt worden, (b) de leveringszekerheid wordt geborgd, (c) toekomstige gebruikers betrokken worden bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van het warmtesysteem en (d) het plan technisch, financieel en economisch uitgevoerd kan worden.

Als in een omgevingsplan (op basis van de toekomstige Omgevingswet)  is gekozen voor verwarming door een collectief systeem binnen het kavel waarin het warmtebedrijf is aangewezen, dan brengt dit extra verplichtingen mee voor het warmtebedrijf. Niet alleen moet dit bedrijf het systeem op een doelmatige wijze onderhouden en beheren en de warmtelevering doelmatig uitvoeren, het is ook verplicht om elke gebouweigenaar binnen het gebied van een leveringsaansluiting te voorzien. Dat is alleen anders, als de gebouweigenaar heeft aangegeven dat hij niet aangesloten wil worden (opt-out).

Om te kunnen bepalen of een gebouweigenaar geen aansluiting wenst, zal in een ministeriële regeling een termijn voor een opt-out worden bepaald. Die termijn gaat in op het moment dat Burgemeester en Wethouders aan gebouweigenaren met een leveringsaansluiting van maximaal 100 kW (kleinverbruikers, zoals huishoudens en kleine zakelijke verbruikers) informatie hebben gezonden over een aan te leggen of uit te breiden collectief warmtesysteem. Reageert de gebouweigenaar niet binnen deze termijn met een opt-out verklaring, dan wordt hij geacht in te stemmen met de aansluiting. Wordt wel tijdig een opt-out verklaring geretourneerd, dan geldt in beginsel geen instemming met de aansluiting.

Burgemeester en Wethouders kunnen echter op grond van artikel 4.7 van de (toekomstige) Omgevingswet toestemming weigeren voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel door de gebouweigenaar zelf. Ook kunnen Burgemeester en Wethouders op grond van het wetsvoorstel een ontheffing weigeren voor een klein collectief warmtesysteem (tot maximaal 500 kleinverbruikers). Na zo’n weigering zenden zij de gebouweigenaar opnieuw informatie over het collectieve warmtesysteem en kan de gebouweigenaar opnieuw beslissen of hij al dan niet van de opt-out mogelijkheid gebruik maakt.

Je kunt je dus afvragen of een gebouweigenaar nog een keuze heeft als hem de mogelijkheid van een eigen gelijkwaardige vorm van verwarming of een eigen klein collectief warmtesysteem wordt onthouden, zeker nu het aansluiten van nieuwe gebouwen op het gasnet al niet meer mogelijk is (zie een eerder bericht daarover in dit blog). Het antwoord op die vraag is (nog) niet helemaal duidelijk. Het lijkt erop dat het plaatsen van een luchtwarmtepomp, dus het elektrisch verwarmen van een gebouw, altijd wel mogelijk blijft, ongeacht of Burgemeester en Wethouders dat een goed plan vinden.

Als ook dat in de toekomst aan regels wordt onderworpen, althans in die gebieden waar in het omgevingsplan voor een collectief warmtesysteem wordt gekozen, dan ontaardt de Wet collectieve warmtevoorzieningen wel in een erg stalinistische regeling die het maatschappelijk draagvlak voor de regeling geen goed doet.

Het concept wetsvoorstel, waarin nog veel meer wordt geregeld dat de hierboven beschreven aansluitplicht, is op de website van overheid.nl te raadplegen. Daar kan ook gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om digitaal een reactie op het voorstel te geven.